Voorlichting

Hierbij geven wij u enige nuttige informatie.

Vlooien

Algemeen:
Vlooien leven van het bloed van de hond en kat. De plaats waar ze zich voornamelijk ophouden in de hondenvacht zijn op de achterhand, rond de staartwortel, op de buik en in de liezen. Bij katten bevinden ze zich voornamelijk op de buik, de rug en rondom de hals.
De vlooien zelf ziet men niet altijd op het dier, ze kunnen zich razendsnel bewegen. Wel ziet men zwart-bruin op zand gelijkende korrels op de huid: dit is vlooienpoep. Maken we dit nat, dan zien we een roodverkleuring: bloedresten die onverteerd zijn gebleven.

Vlooien veroorzaken met het bloedzuigen en hun vlooienspeeksel jeuk, die bij sommige dieren heel heftig kan zijn. Vlooienbeten kunnen huidontstekingen veroorzaken en ook vlooienallergie is geen uitzondering meer. Vooral bij jonge of zwakke dieren bestaat de kans op bloedarmoede als het dier veel vlooien heeft.

Cyclus:
Eitjes: Het vlooienvrouwtje kan zo'n 20 tot 50 eitjes leggen. De eitjes vallen van het dier op de grond, dit gebeurt vooral op de favoriete ligplaatsen van het dier. In gunstige omstandigheden (hoge luchtvochtigheid en warmte) komt het eitje na 1 tot 6 dagen uit.

Larven: De vlooienlarf eet vlooienpoep en huisstof. De larve zoekt donkere, beschutte plaatsen en kruipt weg in naden, kieren, bekleding en tapijt.

Pop: De cocon is plakkerig, een stofzuiger heeft hier geen vat op. Bij optimale omstandigheden ontwikkelt de pop zich in 8 tot 10 dagen tot volwassen vlo. In ongunstige omstandigheden kan de pop wel 6 tot 12 maanden nodig hebben om zich te ontwikkelen.

Vlo: Als de vlo in de pop-cocon volgroeid is, dan zijn trillingen, warmte en licht de aanleiding om te ontwaken. De eerste de beste gastheer (ook mens!) wordt besprongen en er kan weer bloed gezogen worden.

Slechts een klein percentage van de vlooien leeft op de gastheer. Het overgrote deel leeft in de leefomgeving van de gastheer. Een volwassen vlo leeft een aantal weken, maar dagelijks worden er 20 tot 50 eitjes gelegd. Zodat 1 volwassen vlo al gauw voor 3000 nieuwe vlooien kan zorgen, die ook weer volwassen worden en eitjes leggen….


Noodzaak vlooienbestrijding:
Zoals hierboven is gebleken is het belangrijk om aan permanente vlooienbestrijding te doen. Behalve het gevaar van bloedarmoede, huidirritaties en overgevoeligheden zijn er nog meer gevaren:
- een vlo kan ook mensen bezoeken
- vlooienlarven kunnen lintwormsegmenten eten die vol met lintworm-eitjes zitten. De vlo brengt op deze wijze een wormbesmetting over. (zie ook onder: wormen)
- bacteriën en virussen kunnen worden overgedragen.

Bestrijding:
Er zijn uitwendig toepasbare middelen in de vorm van druppels, spray's, shampoo's, poeder en banden. Deze middelen doden de volwassen vlo. De eitjes die de vlo echter reeds gelegd heeft, ontwikkelen zich weer tot volwassen vlo.
Er zijn ook middelen die de cyclus onderbreken: Deze middelen bevatten groei-remmers die ervoor zorgen dat de volledige ontwikkeling tot volwassen vlo niet meer plaatsvindt.
Over het algemeen werkt een combinatie het beste.
Is uw dier besmet met vlooien, vergeet dan niet om ook de leefomgeving te behandelen met omgevingsspray.

Frontline doodt de volwassen vlo, de werkingsduur is 1 tot 3 maanden. De spray werkt ook effectief tegen teken. Daarnaast zijn er ook Program tabletten voor de hond. Dit is een middel dat de ontwikkelingscyclus van de vlo doorbreekt. Deze tabletten moeten maandelijks gegeven worden.
Er bestaat ook Program voor de kat. Dit is een suspensie die over het eten gegeven moet worden. Onze eigen ervaring hiermee is dat de meeste katten dan hun eten laten staan. Uw dierenarts kan uw kat echter ook Program in de vorm van een injectie toedienen. Deze injectie werkt 6 maanden.

Wormen

Inleiding:
Bij honden en katten komen verschillende soorten worminfecties voor. De meest voorkomende wormsoorten zijn spoelwormen en lintwormen. Minder vaak zullen we infecties met zweepwormen en haakwormen zien. Spoelwormen en de bestrijding ervan zijn vooral van belang bij pups en kittens.

Symptomen:
Meestal zal een worminfectie een hond of kat niet echt ziek maken, maar een ernstige infectie kan (vooral bij jonge dieren) toch de nodige gevolgen hebben in de vorm van braken, diarree, groeivertraging, conditieverlies of een lichte vorm van anemie (bloedarmoede).
Ernstige spoelworminfecties kunnen bij pups en kittens in een enkel geval aanleiding zijn tot verstoppingen in de darmen en zelfs tot sterfte. Ook kunnen infecties met spoelwormen hoestklachten geven bij pups. Het bekende "wormenbuikje" komt niet door een overvulling van de buik door de wormen, maar door gasophoping in de darmen en een verstoring van de darmflora (dysbacteriose).
Zweepwormen kunnen een zeer bloederige ontlasting veroorzaken.
Lintwormen kunnen irritatie en jeuk rond de anus geven, doordat ze telkens het laatste stukje van hun gelede lichaam afstoten. Deze zogenaamde "proglottiden" kennen we allemaal. Het zijn de kleine made-achtige vaak nog bewegende witte wormpjes die uit de anus komen kruipen van een met lintwormen besmette hond of kat. In feite zijn deze proglottiden pakketjes met wormeitjes erin. Als ze ingedroogd zijn dan lijken het net rijstkorreltjes.

Infectie:
Spoelworminfectie: honden en katten besmetten zich met spoelwormen door orale opname van eitjes van deze wormen. Die eitjes zitten in ontlasting van andere honden of katten, maar ook op het gras of in de grond. De eitjes van spoelwormen kunnen jarenlang in de omgeving infectieus blijven! Een andere infectieroute voor spoelwormen is de infectie van teef of poes naar de pups of kittens. Bij de hond kunnen pups in de baarmoeder via de placenta reeds geïnfecteerd raken met spoelwormen. Ook via de moedermelk worden spoelwormlarven overgebracht. Dat laatste is bij katten ook mogelijk, maar bij katten komt de besmetting via de placenta niet voor. Om de symptomen en de adviezen over de behandeling van een spoelworminfectie te kunnen begrijpen is het essentieel om de ontwikkelingscyclus van de worm te kennen :
uit de via de bek opgenomen spoelwormeieren komen larven. Dit gebeurt in de darm. De larven penetreren het slijmvlies van de darmwand en komen zo in de bloedbaan terecht. Via het bloed komen ze in de longen en daar worden ze via de luchtpijp opgehoest en opnieuw ingeslikt. Als ze voor de tweede keer in de maag en darmen terechtkomen ontwikkelen ze zich tot volwassen wormen. Deze volwassen wormen leggen op hun beurt weer eitjes (die overigens na een aantal weken pas infectieus zijn) en zo is de cirkel rond. Bij een pup of kitten ouder dan 6-8 weken kunnen de larven na penetratie van de darmwand ook gaan migreren naar diverse andere organen waar ze vervolgens in ruste gaan (inhibitie). Deze larven worden later bij een dracht actief worden en besmetten via de placenta en/of de melk weer jonge pups of kittens.

Lintworminfectie: een lintworminfectie ontstaat door het opeten van een tussengastheer van de lintworm. In de meeste gevallen is dat de vlo (Dipylidium-lintworm), maar ook konijnen en kleine knaagdieren als ratten en muizen kunnen als tussengastheer van een lintworm (Taenia-lintworm) fungeren.
De proglottiden (=ei pakketjes) van de twee reeds genoemde lintwormsoorten zijn niet direct besmettelijk voor hond of kat. Deze eipakketjes moeten eerst worden opgenomen door een tussengastheer (vlo, knaagdier, konijn) dus. In zo'n tussengastheer ontwikkelen de eitjes zich tot een soort half volwassen worm en als de tussengastheer dan wordt opgegeten door de hond of kat dan vindt er pas een lintwormbesmetting plaats.
Er is nog een derde soort lintworm: de Echinococcus lintworm. Deze lintwormsoort komt in Nederland nog maar zelden voor. Vooral in de zuidelijke Europese landen wordt deze lintwormsoort nog wel gezien. Deze lintwormsoort heeft planteneters als koeien, paarden, konijnen en hazen als tussengastheer, maar ook de mens kan als tussengastheer fungeren (zie zoönose)!!!

Haakwormen: eitjes van de haakworm ontwikkelen zich in warme, vochtige grond. De belangrijkste infectieroute is via orale opname. Bij de hond kan besmetting ook plaatsvinden via de melk of via de huid. In het laatste geval komen de larven via de bloedbaan in de longen terecht, waarna ze worden opgehoest en weer worden ingeslikt. De infectie via de huid komt echter zeer weinig voor.
We zien haakworminfecties eigenlijk alleen maar bij in grote groepen gehouden honden (bijvoorbeeld in kennels of bij een meute jachthonden) of bij zwerfkatten.

Zweepwormen: infectie met zweepwormen geschiedt door opname van infectieuze eitjes. Ook hierbij is een warme en vochtige omgeving gunstig voor de ontwikkeling van niet infectieus eitje (zonder embryo) naar infectieus eitje (met embryo). De larven ontwikkelen zich in de dunne darm en de volwassen wormen in de blinde darm, waar ze weer eitjes produceren. Ook de eitjes van zweepwormen kunnen, net als spoelwormeitjes, jaren lang infectieus blijven.
Ook een zweepworminfectie zullen we bij individueel gehouden honden niet vaak zien. Het is een infectie die vooral berucht is onder jonge honden die onder slechte hygiënische omstandigheden in een kennel gehouden worden. Vandaar ook de bijnaam "kennelworm".

Zoönose:
Twee wormsoorten zijn van belang wat betreft gezondheidsrisico's voor de mens. Dat zijn de spoelworm en de Echinococcus lintworm.
Spoelwormlarven kunnen namelijk ook bij mensen (vooral kinderen lopen risico via de zandbak of onhygiënisch contact met een huisdier) een trektocht door het lichaam gaan maken. Er kunnen symptomen optreden als spierpijn of hoesten, maar ook (buik)griep-achtige verschijnselen of algehele malaise. Een ernstige complicatie van een spoelworm-infectie bij de mens is de aanwezigheid van een spoelworm-larve in het oog hetgeen blindheid kan veroorzaken. Gelukkig komt deze complicatie zelden voor.
Zoals reeds genoemd is de mens een tussengastheer voor de Echinococcus lintworm. Deze lintworm manifesteert zich in het lichaam van de tussengastheer als zogenaamde blaasworm: een soort cyste die enorm groot kan worden. Deze blaasworm kan zich in diverse organen ophouden, zoals lever, longen en hersenen.
De andere twee soorten lintwormen (Dipylidium en Taenia) zijn in principe niet besmettelijk voor de mens omdat mensen nu eenmaal geen rauwe muizen of konijnen eten en al helemaal geen vlooien of vlooienlarven! De proglottiden vormen dus ook geen gevaar voor de mens (ook niet voor kinderen).

Diagnose:
In een enkel geval zien we, vooral bij spoelworminfecties, de volwassen wormen in de ontlasting of het braaksel. Bij een lintworminfectie kunnen we de bekende segmentjes zien in de omgeving van de anus of op de ligplaats van de hond of kat. Dan is de diagnose snel gesteld. Maar soms zien we met het blote oog helemaal niets aan de ontlasting. Dan moet er een specifiek soort onderzoek gedaan worden, waarbij de wormeitjes onder de microscoop zichtbaar gemaakt kunnen worden. Omdat iedere wormsoort zijn eigen specifieke wormeitjes heeft, is op deze manier vast te stellen om wat voor een worminfectie het gaat. Bij lintworminfecties lukt dit dus meestal niet, omdat deze wormen hun eitjes afscheiden via de proglottiden.
Overigens moeten we niet al te snel de conclusie trekken dat wormen de oorzaak van een ziekte zijn als we een worminfectie aantonen in de ontlasting, want in de meeste gevallen en zeker bij een geringe besmetting geeft een worminfectie nauwelijks gezondheidsproblemen bij de (volwassen) hond of kat.

Therapie en preventie:
Voor het ontwormen van honden en katten zijn diverse soorten tabletten en pasta's of drankjes verkrijgbaar. Wat u kiest hangt af van het gewicht van de hond of kat. Bij heel jonge pups of kittens zijn de tabletten namelijk niet nauwkeurig genoeg te doseren, de pasta of de vloeibare preparaten daarentegen wel.
Het beste is om een breed werkend middel te gebruiken. Bij lintworminfecties moeten ook de vlooien worden bestreden. Voor pups en kittens jonger dan 12 weken oud is het meestal niet nodig om lintwormen te bestrijden. Op deze leeftijd is er eigenlijk altijd alleen sprake van een spoelworminfectie.
Pups en kittens moeten ontwormd worden op de leeftijd van 3, 6, 9 en 12 weken, daarna op de leeftijd van 6 en 9 maanden herhalen. Is bekend dat wormen een probleem vormen in een kennel of cattery dan zou u kunnen overwegen om het schema voor de pups of kittens aan te passen. U zou dan eventueel kunnen ontwormen op 2, 4, 6, 8, 10 en 12 weken.
Volwassen honden en katten moeten in principe 2 x per jaar ontwormd worden. Eventueel vaker wanneer uw hond of kat regelmatig in een kennel of pension komt, of als uw hond regelmatig ontlasting eet of als u wormen ziet. Als u wormen ziet, dan altijd 2 x ontwormen met een tussentijd van 2 weken.

Uw dierenarts verkoopt Drontal ontwormingspillen, zowel voor de hond als voor de kat.

Teken

Zodra de temperatuur in ons kikkerlandje ook maar weer iets begint te stijgen is het direct weer raak.

Iedereen die regelmatig met zijn hond in het bos loopt, heeft er wel eens één gezien en inmiddels is duidelijk dat ze lang niet zo onschuldig zijn als we lange tijd hebben gedacht. Behalve vervelende ontstekingen op de bijtplaats, vaak ook nog gevolgd door een nare likplek door de hond zelf, zijn er inmiddels een flink aantal ziekten bekend die door de teek op zijn 'gastheer' worden overgebracht.

Om een korte indruk te geven van de mogelijke problemen volgt eerst een korte beschrijving van teken en ziekten. Daarna zullen we ingaan op therapieën en preventie.

De bekendste ziekte op dit moment is de Ziekte van Lyme. Hoewel er de nodige discussie is over het al dan niet voorkomen van deze ziekte bij honden, is het onze ervaring dat er toch regelmatig honden worden aangeboden met typische neurologische (zenuw-) en gewrichtsklachten. Bij bloedonderzoek blijkt dan dat zij in aanraking zijn geweest met de Borrelia bacterie - de verwekker van de Ziekte van Lyme bij mensen.

De Borrelia bacterie zit in Nederland in het speeksel van ongeveer 20% van de teken. Echter zij zullen uw hond lang niet altijd besmetten. Er is gebleken dat ze hiervoor toch minstens 17 uur op de hond moeten zitten (dagelijks controleren en verwijderen is dus zeer zinvol).

De typische roodverkleuring rond de beetplaats, zoals deze gezien wordt bij mensen, wordt bij een hond zelden of nooit gezien. We weten niet of deze niet voorkomt of niet gezien wordt omdat de vacht hem bedekt.

Bij honden die periodiek last hebben van koorts en kreupelheid waarvoor geen duidelijke verklaring is, moet altijd aan Lyme gedacht worden. Een therapie van twee weken met Amoxycilline of Doxycycline is in de acute fase afdoende. In de chronische fase kan het resultaat teleurstellend zijn.

Andere door teken overgedragen ziekten zijn wat meer bijzonder. Het gaat dan om Babesiosis en Ehrlichiose. Beide ziekten komen in Nederland niet voor, maar worden meegebracht uit zuidelijke vakantiegebieden. Daar de tijd tussen besmetting en het ziek worden (de incubatietijd) wel twee weken kan zijn, worden de eerste ziekteverschijnselen vaak pas thuis gezien.

Bij Babesiosis maakt de kiem die zich vermeerdert in de rode bloedcellen deze cellen kapot, hetgeen leidt tot ernstige bloedarmoede. De eerste verschijnselen zijn vaak lusteloosheid en koorts, gevolgd door bloedplassen ('wijn'rode urine) en bloedarmoede. Wanneer niet tijdig wordt ingegrepen kunnen nierfalen, longontsteking, alvleesklierontsteking en hersenproblemen ontstaan. Meestal worden de verschijnselen echter op tijd onderkend en dan is een behandeling met Imidocarb vaak afdoende en de prognose prima.

Ook is het mogelijk om voor de vakantie tegen Babesiosis te laten inenten. Deze inenting geeft echter beslist geen volledige bescherming. Een éénmalige injectie met Imidocarb voor vertrek is ook maar matig effectief en kan bovendien behoorlijke ziekteverschijnselen veroorzaken.

Bij Ehrlichiose is het ziekteverloop iets anders. Ook hier wordt in de eerste acute fase koorts, slecht eten en benauwdheid gezien. Daarnaast kunnen problemen ontstaan met bloedstolling waardoor gemakkelijk kleinere en grotere bloedingen ontstaan. Deze verschijnselen zijn nog niet altijd zo duidelijk als bij Babesiosis, waardoor hier later ook een chronische fase kan ontstaan met bloedingen, afwijkingen, gewrichtsontstekingen en nierfalen. Deze chronische fase verloopt vaak fataal.

In het acute stadium volstaat een behandeling met injecties met Imidocarb in combinatie met Doxycycline, eventueel gedurende enkele weken ondersteund met een ontstekingsremmer. Dit kan ervoor zorgen dat uw hond weer 'de oude' wordt.

Al met al dus reden genoeg om minder gastvrij te zijn voor teken. De beste methode om door teken overdraagbare ziekten te voorkomen is natuurlijk teken te ontlopen. Teken zitten bij voorkeur in struikgewas, nesten en holen van wilde dieren. Op gemaaid grasland of begraasd grasland zitten doorgaans veel minder teken dan in het bos. En als de hond niet meegaat op vakantie is er natuurlijk geen kans op Babesiosis of Ehrlichiose.

Dit zijn oplossingen die niet altijd praktisch zijn. Er zijn gelukkig diverse bestrijdingsmiddelen op de markt. De Scalibor tekenband is op dit moment het nieuwste. Deze heeft als voordeel dat hij ook beschermt tegen de zandvlieg die in het zuiden van Europa de ziekte Leishmania kan veroorzaken. Verder is natuurlijk de oude vertrouwde Frontline spray heel geschikt. Spray dan wel vlak voor uw vakantie. Als derde oplossing is er de combinatie van Advance druppels met een Kiltix tekenband.

Let echter wel op: geen enkel middel is 100% afdoende, dus tweemaal daags controleren op teken en ze verwijderen blijft noodzakelijk. Denk er daarbij om dat de teken niet verdoofd moeten worden voor het verwijderen, ze kunnen dan alsnog speeksel inbrengen in de wond en dat willen we juist liever niet. Na het verwijderen moet u het wondje wel even ontsmetten en bij twijfel altijd even uw dierenarts raadplegen.